No Fat – No Future

No Fat – No Future

Lichaamsvet is een actief lichaamsorgaan dat betrokken is bij veel processen en dat belangrijk is voor de menselijke gezondheid.

Het vet in een volwassen menselijk lichaam is vooral wit vetweefsel. Baby’s hebben ook nog bruin vetweefsel dat een hoger gehalte aan energiecentrales (mitochondriën) heeft en daardoor meer warmte kan genereren. Bruin vet is vooral voor kleine zoogdieren belangrijk en is met name actief bij dieren die zich aan de kou hebben aangepast. Zij kunnen zo tot 60 maal meer warmte produceren.

Wit lichaamsvet (vnl. visceraal vet) is een niet actieve vorm, maar is toch ook niet alleen maar een passieve vorm van energie opslag. Het heeft namelijk functies op hormonaal, immunologisch en metabolisch gebied.
Een positieve energiebalans was voor onze voorouders niet makkelijk te bereiken. Als dit al gebeurde was dat tijdelijk. In tegenstelling tot bijvoorbeeld zeezoogdieren zoals walvissen en dolfijnen hebben mensen geen vet om zich tegen kou te beschermen. Wij hebben minder bruin vet dat (in tegenstelling tot wit vet) wel warmte kan generen. We zien wel dat bij mensen die langere tijd aan kou blootstaan meer bruin vet ontstaat.
Vet heeft grote voordelen als een energie opslag medium. Het bevat per gram droog gewicht 2 keer zoveel energie als koolhydraten of eiwitten. Verder wordt het opgeslagen met weinig water. Vetweefsel kan groter worden en zich uitbreiden, wat een voordeel is voor een opslag medium.

Zo zien we dat vogels tot 50% van hun gewicht aan vet hebben, een zeer gewichts-efficiënte manier van energieopslag voor een vliegend dier. Als vogels dezelfde hoeveelheid energie als glycogeen (dierlijk zetmeel) zouden opslaan zouden ze nooit van de grond komen!
De vetcel verschilt van andere cellen omdat het de capaciteit heeft vetzuren op te slaan die geëxporteerd kunnen worden naar ander weefsel als dat nodig is. In contrast tot andere cellen kan de vetcel flink uitzetten.
De verschillende energie behoeften van andere weefsels worden geregeld door een variabele gevoeligheid voor het hormoon insuline. Sommige organen kunnen reageren met een verandering in grootte, zoals b.v. vermindering van spiermassa tijdens verhongering of als het weinig of minder gebruikt wordt. Ook de darmhoeveelheid kan toenemen in reactie op voedsel- vertering. De hersenen daarentegen hebben weinig flexibiliteit en hebben een constante energie aanvoer van glucose nodig. Omdat onze hersenen voor meer dan 60% uit vet bestaan kan vet niet als energiebron door de hersenen worden gebruikt. Bloedsuiker en ketonen zijn voor onze hersenen de enigste energie bronnen.
Lang werd aangenomen dat de grote hoeveelheid lichaamsvet bij de geboorte bedoeld was om de warmte beter vast te houden (de reden dat ijsberen, zeehonden en walvissen zoveel blubber (vet) hebben).
We weten nu dat dit niet de reden is, aangezien onze oerouders zijn geboren in het warme klimaat van Afrika. Onze exceptionele hoeveelheid lichaamsvet bij de geboorte is toe te wijzen aan de energie die er nodig is om de hersenen van de baby na de geboorte te laten groeien. Dit is vooral nodig als de energie inname beperkt wordt door ziektes zoals diarree, die vroeger vaker voorkwamen.

Opslag van subcutaan vet op billen en dijen heeft bij vrouwen een zeer hoge prioriteit. Het grootste deel van de 10-20 kg lichaamsvet van de vrouw als kind en puber is het subcutane vet op dijen en billen. Dit vet op billen en dijen wordt beschermd tegen afbraak tot de late zwangerschap en borstvoedingsperiode, dit vet wordt dan selectief gemobiliseerd. Vet op billen en dijen is de belangrijkste bron van meervoudig onverzadigde vetzuren in het bijzonder het Omega 3 vetzuur DHA. DHA is kritisch voor de ontwikkeling van de foetus hersenen en baby hersenen.

60-80% van de aanwezige DHA in moeders borstvoeding komt van haar subcutane vetopslag op dijen en billen en niet uit haar voeding.

Lichaamsvet opslag is groter in vrouwen dan in andere primaten of zoogdieren.

Aangepast naar lengte hebben volwassen vrouwen gemiddeld 34% meer lichaamsvet dan mannen. Hier zijn 2 belangrijke redenen voor, de eerste is dat tijdens een groot deel van de zwangerschap de energie voor moeder zelf uit haar lichaamsvet moet komen, aangezien de foetus voor het grootste gedeelte haar bloedsuiker(glucose) gebruikt. De andere reden is dat tijdens de borstvoeding het vet van billen en dijen voor een groot gedeelte gebruikt wordt voor o.a. de latere ontwikkeling van de hersenen van de baby.
Als er tijdens de zwangerschap teveel energie naar de foetus gaat wordt deze gestimuleerd om meer insuline aan te maken. Foetale insuline zorgt ervoor dat de zich ontwikkelende vetcellen in aantal toenemen en deze baby’s worden dus geboren met meer vetcellen. Dit betekent dat ze in hun leven meer capaciteit hebben om vet op te slaan en zij hebben daardoor sneller met obesitas te maken.
Hoe dikker de moeder, hoe dikker haar nakomelingen. Sommige moeders hebben bij de geboorte zulke dikke baby’s dat ze niet door het geboortekanaal kunnen en dat een keizersnee de enige oplossing is. Overigens is zowel een laag als een hoog geboortegewicht een risicofactor voor overgewicht/obesitas, diabetes, hart en vaatziekten.

Vetopslag verschilt per ras

Het gebruik van vet als metabolische ‘brandstof’ verschilt van mens tot mens. Er zijn raciale verschillen voor de opslag van visceraal vet. Zo hebben Aziaten een hoger percentage lichaamsvet dan Europeanen of Afrikanen. Afrikaans-Amerikaanse vrouwen en mannen hebben minder visceraal vet dan Europese vrouwen en mannen. Dit ondanks het feit dat Afrikaanse-Amerikaanse vrouwen gemiddeld totaal gezien een hoger vet percentage hebben. We zien dan ook dat zij gevoeliger zijn voor een ontregeling van de bloedsuiker, terwijl Europese vrouwen gevoeliger zijn voor dislipidemie (hoger niveaus van triglyceriden en cholesterol).
In het algemeen kunnen Europeanen hun vet beter verbranden dan andere raciale groepen. Eskimo’s (Inuïts) verschillen van zowel Europeanen als Aziaten. Gebaseerd op het BMI (Body Mass Index) criterium komen overgewicht en obesitas zeer veel voor onder de Eskimo’s. Ten opzichte van het BMI hebben zij echter een lagere bloeddruk en minder circulerend vet in hun bloed dan Europeanen. Dat staat weer haaks op het feit dat Aziaten bij een lagere BMI een grote risico hebben op het metabool syndroom dan Europeanen. Het lijkt er dus op dat de negatieve effecten van teveel lichaamsvet minder groot zijn bij mensen die afkomstig zijn van het bovenste deel van het noordelijke halfrond dan bij mensen afkomstig uit gebieden rond de evenaar.
Over het algemeen kan ook gesteld worden dat bewoners rond de evenaar (warmte) beter op plantaardige voeding reageren dan mensen die noordelijker van de evenaar leven. Eskimo’s zouden in korte tijd gezondheidsproblemen krijgen als zij voornamelijk plantaardige voeding zouden eten.

  • Overleven is genoeg koolhydraten voor opslag (lichaamsvet) voor wanneer er niets is.
  • Overleven was nooit over het eten van vet, maar altijd over het maken van (lichaam)vet en dat doe je met koolhydraten.
  • Koolhydraten lopen niet rond maar groeien in de grond.

Het automatisme bij artsen en diëtisten dat verzadigd vet en cholesterol per definitie slecht zijn is een barrière voor hen om tot goede individuele aanbevelingen te komen.